TREKPAARDEN GEZOND HOUDEN |
|||
|
|
Stoornissen van het spijsverteringsstelsel De eerste symptomen bij spijsverteringsproblemen zijn een daling van de eetlust en van de voedselopname. Belangrijk hierbij is na te gaan of deze daling van de eetlust selectief of voor het gehele rantsoen geldt. Achtereenvolgens zullen problemen aan de mond, de slokdarm, de maag en de darmen besproken worden.Problemen aan de mond In de eerste plaats dient men steeds te denken aan mondproblemen. Zo kan de geur van de mond bij het openen ervan reeds een belangrijke aanduiding geven. Een cariësgeur is steeds uit den boze. Een paard wisselt zijn bit tussen 2 en 5 jaar. Zeer dikwijls hebben de paarden last met het afstoten van hun melktanden en ontstaan er doppen. Doppen zijn zeer pijnlijk en beletten de definitieve tand zijn plaats in te nemen. Ze dienen daarom zonder uitstel verwijderd te worden. Haken komen eveneens frequent voor. Zij vinden hun oorsprong in een bovenkaak die breder is dan de onderkaak en omdat de tanden continu groeien en afslijten ontstaan er in meer of mindere mate haken. Als paarden haken hebben stoppen ze proppen voederresten tussen hun wang en de bovenkaak. Deze proppen dienen te beletten dat zij zich kwetsen. Tongproblemen hebben vaak te maken met tandproblemen ten gevolge van afwijkingen aan het bit en niet in het minst door het paard vast te binden met zijn toom. Soms werd een tong hierdoor nagenoeg afgerukt. Wolfstanden vormen slechts dan een probleem als ze ontstoken zijn. Speekselklieren kunnen opgezet en ontstoken zijn, als er drainageproblemen zijn ter hoogte van de uitgang van de speekselklier. Dit komt voor bij gerstestro dat zich vasthecht in de uitgang van de speekselklier en zo de speeksel afvloei via dit kanaal belemmert. Al deze hoger beschreven gevallen worden getypeerd door een verhoogde speekselvloei uit de mond en een daling van de voederopname. Problemen aan de slokdarm Bij uitstulpingen in de slokdarm ontstaat er een oprisping van de voeding en een frequent voorkomen van een slokdarmobstructie. Een slokdarmobstructie ingeval van slokdarmuitstulpingen wordt veelal veroorzaakt door lang vezelig voeder zoals hard hooi, te laat gemaaid hooi en door concurrentie aan de voederbak. Een andere oorzaak van slokdarmobstructie is de opnamen van zwellend voedsel. Het alom gekende voorbeeld hiervan is het toedienen van perspulp. Dit is gedroogde bietenpulp die niet in een overvloed van water heeft kunnen uitzetten gedurende minimaal 12 uren. Teveel concurrentie voor het voeder, voornamelijk bij grote brokken hard voedsel zoals bieten en aardappelen geven ook dikwijls een fysische obstructie van de slokdarm. Het toedienen van pulp, die niet uitgezet is kan anderzijds ook leiden tot een maaguitzetting met maagbreuk tot gevolg. De reden hiervan is een fel sluitende inkomende sluitspier van de maag die braken bij het paard belet. Gevolgen van slokdarmobstructie zijn verslikkingspneumonie. Door de slijmproductie die weerhouden wordt ter hoogte van de obstructie ontstaat een reflux naar de mond toe en automatisch naar de geopende luchtweg. Men dient dus bij slokdarmobstructie steeds de ademhaling en de koorts in het oog te houden. Een besmettelijke neurologische ziekte is ‘grass-disease’. Hierbij ontstaat er een spastische contractie van de slokdarm zodat het voedsel niet meer de maag kan bereiken. Dit is zeer pijnlijk en wordt getypeerd door zweten onder de manen en staart. De behandeling gebeurt met vloeibaar voedsel en medicatie welke krampen oplost. Indien het opnemen van voedsel onmogelijk geworden is dient men het paard te sonderen, vitaminen B1 en B6 te geven en infusievloeistoffen toe te dienen. Problemen in de maag of aan de maag Zoals reeds vermeld werd kan een paard niet braken. Erge maaguitzetting wordt gekenmerkt door kolieksymptomen. Deze treden voornamelijk op na de voeding en onderscheiden zich enkel hierdoor van maagtorsie. De kolieksymptomen in dit geval zijn zeer erg. Steeds dient de dierenarts bij een acute koliek een sondage uit te voeren zodat maagovervulling en gasophoping in de maag door reflux kunnen onderkend worden. Gewone maagproblemen ingeval van maagontsteking uiten zich door frequent geeuwen van het paard. Voorbeelden hiervan zijn : paarden die besmet zijn met maagwormen of paarden die onder invloed van stress een maagontsteking hebben welke bij de mens gekend zijn als maagzweren. Problemen aan de darmen De normale functie van de darm splits zich in een functie ter hoogte van de dunne darm en een functie ter hoogte van de dikke darm. De dunne darm is gespecialiseerd in de opname van de voedingsstoffen die in de maag en dunne darm vrijkomen. Tevens worden hier de vetten opgelost. Er is een goede leverfunctie nodig om vetten op een degelijke manier te resorberen. Als men in de voeding gebruik maakt van dierlijke vetten kan dit leiden tot vetdiarree. Het gebruik van deze dierlijke vetten wordt dikwijls aangewend om een energierijke voeding te bekomen. Paarden hebben echter niet de mogelijkheid om dierlijke vetten in emulsie te brengen en te resorberen. Rantsoenwijzigingen moet men steeds geleidelijk doorvoeren opdat het enzymensysteem zich zou kunnen aanpassen aan het aanbod van nieuwe voedermiddelen. Men dient dus niet te vaak of te plots de voederbron te wijzigen maar eerder het paard een aanpassingsperiode te geven om een goede vertering te bekomen. De vertering van het ruwvoer geschiedt hoofdzakelijk in de dikke darm. Ter hoogte van de blinde darm is er een bacteriële vertering voor de afbraak van het ruwvoeder. Omdat de bacteriële vertering voorbij de dunne darm geschiedt gaan er ook veel voedingsstoffen via de mest verloren. Indien men paarden teveel stro voert, ontstaat er zeer droge mest met de mogelijkheid tot het zich ontwikkelen van een obstipatiekoliek. De oorzaak hiervan is dat stro in grote mate onverteerbaar is voor de dikke darmflora zodat er geen vertering, maar enkel vochtresorptie geschiedt. Het grazen op een te kort weide geeft door het uittrekken van het gras en het zodoende opnemen van zand aan de wortels aanleiding tot zandkolieken. Hierdoor kan er een opstapeling van zand gebeuren. Het terug in oplossing brengen van het zand kan men enkel door het voeren van ruw vezelig zandarm voer en sulfaten. Ingeval van zandopname ontstaat er eerst een initiële diarree, gevolgd door een obstipatie. Deze diarree komt ook frequent voor bij zogende veulens die soms met hun moeder in een zandpiste lopen. Deze veulens likken frequent zand op in analogie met het van de grond eten van hooi door de merrie. Deze diarree bij de veulens herkent men aan het feit dat het niet reageert op antibiotica en bij het samendrukken van de mest tussen duim en wijsvinger voelt men duidelijk de aanwezigheid van zand. De behandeling bestaat hieruit dat men in dergelijke gevallen het veulen niet bij de moeder laat zodat zandopname onmogelijk wordt, tevens dient men aan het veulen gedurende minimaal 1 maand ruw vezelig voeder toe te dienen. |
||
|
e.mail : info@trekpaarden.be |
|||