|
welkom
trekpaardenrassen
België
Denemarken
Duitsland
Engeland
Frankrijk
Nederland
Oostenrijk
Noriker

hengst
Liz.Norbert
foto
: Marion Keijzer

Zwitserland
abonneren
op nieuwsbrief
stamboom
aanvraag
homepage
|
Zo'n
50 % van alle paarden in Oostenrijk behoort tot het oersterke Noriker
koudbloedras.
Elke Oostenrijkse boer heeft één of meerdere Norikers en 's winters staan ze
broederlijk tussen de koeien op stal. Ze gebruiken deze paarden om hout te
slepen, toeristen rond te rijden en mee te pronken op oogstfeesten. In
Oostenrijk geniet het dier de status van 'beschermd ras' en dat levert de
fokkers en fokpremie op.
Oorsprong
:
De
Noriker dankt zijn naam aan de voormalige Romeinse provincie Noricum, gelegen in
het huidige Oostenrijk. Het is een gebied met veel bergpassen en de Romeinen
doorkruisten het veelvuldig met strijdrossen en trekpaarden. De Romeinen
richtten er overal stoeterijen op.
Noricum grensde in het zuiden aan het gebied van de Veneten. Dit Keltisch
volk fokte kleine, stevig gebouwde bergpaardjes, die ook aan de basis staan van
de Haflinger. De Noriker is waarschijnlijk ontstaan door kruisingen van de zware
Romeinse hengsten met deze bergpaardjes. Het resultaat was een middelgrote
koudbloed, die uitermate geschikt was voor het zware werk in de bergen.
Kenmerken
:
De Noriker is een middelgrote koudbloed; zijn stokmaat ligt tussen de 1.57m
en de 1.65m. en weegt tussen de 700 en 750 kg. Het dier heeft een groot,
droog hoofd met levendige ogen, die adel uitstralen. De korte gespierde hals is
getooid met een weelderige bos manen. Borst, schouder en achterhand zijn ruim en
gespierd. Het beenwerk is krachtig en droog met weinig behang. Zoals alle
bergpaarden is de Noriker wendbaar, tredzeker en heeft het dier een uitstekend
evenwichtsvermogen. De hoeven zijn breed en uitzonderlijk hard, de gangen ruim
en het temperament goedmoedig.
Fokkerij
:
In 1903 werd het Noriker stamboek opgericht waarin alle bloed- en
kleurlijnen zijn verenigd.
Men onderscheidt 2 typen: de zwaargebouwde Pinzgauer-Noriker en de lichtere
Oberländer, die pas later werd opgenomen in het Noriker Stamboek. De
afstammelingen van de Oberländers die zich nu nog in Duitsland bevinden, werden
door de Duitsers omgedoopt tot 'Sûd-deutsches Kaltblut'. Alleen kenners zien
het verschil tussen de Noriker en de ietwat lichter gebouwde Zuid-Duitse
koudbloed. Bovendien zijn Zuid-Duitse koudbloeden jarenlang ingefokt in de
Norikers, dus er zijn meer overeenkomsten dan verschillen.
Omdat er zoveel verschillende typen Norikers zijn, zijn ze voor de
buitenstaanders alleen met zekerheid te herkennen aan hun brandmerk: de
Edelweiss bloem met de N, op de linkerbil en een letter die aangeeft uit welk
fokgebied ze komen, de P staat voor Pinzgau, de T voor Tirol. Zodra de merries
in het stamboek worden opgenomen krijgen ze een brandmerk op de linkerschouder.
Elk jaar koopt het stamboek ongeveer 60 hengstveulens. Deze worden Spartaans
opgevoed, zowel lichamelijk als geestelijk en dus vallen er jaarlijks ongeveer
20 veulens af. Na 3 seizoenen zijn er nog 15 over en deze worden verdeeld over
alle fokgebieden. In het voorjaar fungeren ze als dekhengsten. In de zomer 'ge-almd',
dit wil zeggen ze gaan dan weer als kudde naar de bergweiden. Elke zomer wordt
de rangorde dus weer opnieuw bepaald. Dat gaat er ruig aan toe, maar het is goed
voor het sociaal gevoel. Ze leven er tussen de 300 en 2.500m. waar de
temperaturen schommelen tussen de +30° en -25° Celsius, soms valt er zelfs
sneeuw in de zomer en het gras is er niet bepaald voedzaam. De meesten overleven
de alm-zomer letterlijk met glans.
Norikers zijn er in alle kleurvariaties. Vooral de koolvos, met het donkere lijf
en de contrasterende lichtere staart en mannen, is een opvallende verschijning.
Minstens zo in het oog lopende verschijning is de Pinzgau-Noriker, een
gespikkeld paard, dat veel weg heeft van een Appaloosa. Deze variant uit het
district Pinzgau heeft zijn kleurpatroon te danken aan kruisingen met Spaanse
paarden. Voor de 2° wereldoorlog werd de Noriker hoofdzakelijk als middelgroot
landbouw- en boomsleeppaard gefokt. Na de oorlog, toen de motorisatie ook in
Oostenrijk zijn intrede had gedaan, nam het aantal af tot een kleine 9.000. De
regering is toen fokpremies gaan toekennen.
Gebruik
:
Een echt werkpaard zal de Noriker altijd blijven. Er was en er is in de
bergen nog steeds geen beter vervoer- en transportdier dan dit ras. Met de
opkomst van het toerisme en de groeiende interesse in sport- en
recreatiepaarden, blijft het aantal Norikers gestaag toenemen.
De
huidige Noriker is mede dankzij zijn zachtaardige karakter en zijn koele hoofd
een populair veelzijdigheidspaard dat uitmunt in betrouwbaarheid en werklust.
Western rijden, aangespannen rijden voor de kar, de slede of de bierwagen,
boomslepen, ploegen, oogsten, dressuur en recreatief rijden, de Noriker vindt
het allemaal best. Een familiepaard van top tot teen, een paard met toekomst.
Als
menpaard is de Noriker verrassend wendbaar, erg betrouwbaar, verkeersmak en
voorwaarts. Van nature reageren ze heel goed op de stem, een eigenschap die ze
gemeen hebben met andere boomsleeppaarden. Als rijpaard zijn ze evenzeer
supergeschikt. Het hele gezin kan er dagen mee op tocht, ze worden nooit moe. Ze
zijn betrouwbaar in alle situaties, zijn berensterk en willen graag werken.
In
de Oostenrijkse Alpen vormen kruiden een belangrijk onderdeel van het Noriker
menu, dat verder bestaat uit gras en hooi dat veel minder voedzaam is dan bij
ons. Daarom moet een Noriker zo sober mogelijk worden gevoed.
Voor
alle nodige contactadressen stuur je
gewoon een e.mail naar
info@trekpaarden.be
|